Veiligheid (verplaatsbare) doelen

Wat zijn de richtlijnen voor verplaatsbare voetbaldoelen en hoe krijg je het gedaan dat die richtlijnen effectief worden nageleefd? Een opfrissing.

Wanneer we over voetbaldoelen spreken die in de sport gebruikt worden (training, wedstrijd), gelden de regels uit het bondsreglement van Voetbal Vlaanderen. Daarin stelt artikel B6.12: “Een doel wordt op het midden van elke doellijn geplaatst en wordt stevig aan de grond bevestigd.” “Ga voor maximale veiligheid en check elke keer voor de start van een training of wedstrijd dus of de doelen stevig vastgemaakt zijn!” raadt Voetbal Vlaanderen aan.

Wanneer (verplaatsbare) doelen op openbaar domein staan, verandert de reglementering, maar blijft de insteek gelijk.

FOD economie stelt in de veiligheidsgids in verband met verplaatsbare voetbaldoelen (2002) duidelijk: Verplaatsbare voetbaldoelen moeten verankerd zijn tijdens het gebruik. Het voetbaldoel mag niet omvallen of wegglijden wanneer er een horizontale kracht van 1100 Newton of 110 kg wordt toegepast in het midden van de dwarsligger. De verankering dient steeds te gebeuren op tenminste drie punten van het grondkader, met name in het midden van de zijstangen en in het midden van de achterstang. Indien er geen achterstang aanwezig is, dient de verankering op tenminste 4 punten te gebeuren, met name voor- en achteraan in de zijstangen.

Op een verplaatsbaar voetbaldoel moeten volgende veiligheidswaarschuwingen worden aangebracht.

  • “Niet op het doel klimmen”
  • “Doel moet steeds worden verankerd aan de grond”

En wat met de EN norm veiligheid voor speeltoestellen?

Die Europese normen zijn NIET wettelijk verplicht en dus mag ervan afgeweken worden. Het koninklijk besluit (KB speeltoestel) legt een bepaald veiligheidsniveau op maar verplicht de overeenkomst met een norm NIET. Als de EN gevolgd wordt, voldoet dat toestel wel aan het veiligheidsniveau voor de desbetreffende gevaarsaspecten. Voor speeltoestellen geldt de EN norm 1176.

Doelen vallen in bepaalde situaties onder het KB van 28 maart 2001 (betreffende uitbating van speelterreinen)

Speelterrein:

  • de plek “bestemd is voor collectief gebruik”
  • er minstens één toestel staat dat kennelijk bedoeld is voor vermaak van minderjarigen
  • bij de werking van dit toestel uitsluitend zwaartekracht of fysieke menselijke kracht komt kijken.

Definitie sporttoestel: Een sporttoestel is een toestel waarvoor speciale sportnormen zijn vastgelegd. De normen voor sporttoestellen zijn te verkrijgen bij het Bureau voor Normalisatie.

MAAR… Een sporttoestel wordt een speeltoestel en valt dus onder het KB uitbating indien het:

  • midden op een speelterrein is geplaatst
  • geen duidelijke afscheiding heeft met de andere speeltoestellen
  • gebruikt wordt door de kinderen als speeltoestel om op te spelen
  • niet echt bedoeld is om er echte sportactiviteiten mee te ontwikkelen

Een sporttoestel kan dus wel op een speelterrein staan en ook als sporttoestel worden beschouwd indien:

  • er wel een duidelijke afscheiding is met de andere speeltoestellen (door omheining of in de ruimte);
  • het gebruikt wordt om effectief te sporten.

Een belangrijk hulpmiddel om die toch wel wazige zone te onderscheiden is observatie van de kinderen. Op welke manier gebruiken zij het speelterrein en gebruiken zij de voor sport bedoelde toestellen eigenlijk als speeltoestel?

Indien kinderen het sporttoestel inderdaad gebruiken als speeltoestel, dan moet de uitbater:

  • ofwel het sporttoestel als een speeltoestel bekijken en dan moet het voldoen aan het KB uitbating;
  • ofwel door inplanting en afscheidingen duidelijk maken dat het een sporttoestel is en ervoor zorgen dat kinderen het ook op die manier gaan bekijken. Dan valt het sporttoestel niet onder het KB uitbating, wel onder het Wetboek.
  • Die toestellen moeten hoe dan ook veilig zijn.

In de praktijk

In de praktijk raden we aan om:

  • Doelen zoveel als mogelijk vast te verankeren
  • Wanneer er toch met verplaatsbare doelen gewerkt wordt, dit zoveel mogelijk te beperken of te gebruiken wanneer er toezicht is. Die toezichter kan er op toezien dat doelen dan tijdens gebruik verankerd worden
  • Clubs regelmatig aan te sporen om de doelen na te gaan en de maatregelen na te leven
  • Regelmatig nazicht van openbare domeinen en speelterreinen te houden